Molen "De Aurora"

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
in Baexem

De vorstin-abdis van Thorn bezat in Baexem het recht van molendwang. De inwoners van Baexem, dat voor de Franse Tijd tot het vorstendom behoorde, waren aanvankelijk aangewezen op de watermolen van Dasselrode, die reeds in 1244 eigendom van het stift in Thorn was. De molen was een graan- en oliemolen en lag op de latere Tungelroyse Beek bij de Slagmolenbrug. De watermolen werd reeds vroeg afgebroken, waarna de eerder genoemde Leveroysche molen , die eveneens in 1244 eigendom van het stift was, het maalrecht kreeg. De Leveroysche molen werd later het eigendom van het klooster St. Elisabethsdal in Nunhem . Als deze molen te weinig water had, waren de inwoners verplicht naar de watermolen van Grathem te gaan.
In de Franse Tijd werd bij de wet van 28 maart 1790 de molendwang afgeschaft . Het duurde echter tot 1845voordat in Baexem een windmolen werd gebouwd, die voor de bewoners langs kortere wegen bereikbaar was. Het dorp telde toen ongeveer 500 inwoners, overwegend landbouwers, waarvan de boerderijen en de huizen nogal verspreid stonden. De kleine kern met de parochiekerk lag oorspronkelijk bij de weg Weert-Roermond.

De douairière Maria Agnes Engelbertina, barones de Keverberg d'Aldenghoor, geboren barones de Kerkerinck­ Borg, die op kasteel Aldenghoor in Haelen woonde , liet in 1845 de windmolen, die tussen de dorpen Haelen en Horn stond, naar Baexem verplaatsen. Zij kocht daarvoor van de landbouwer Mathias Berben in Baexem een perceel bouwland op het Herkerveld of het Kerkveld.
In 1853 verkocht de barones de windmolen aan Conrad Bartholomeus Canoy, die op een kasteeltje in 't Schoor, in Baexem woonde. Hij was eigenaar van een brouwerij en een branderij, die op het Schorsveld stonden. In hetzelfde jaar kocht Canoy ook de Leveroysche watermolen. Beide molens vererfden in 1859 aan Jan Mathijs Canoy in Baexem. Bij de boedelscheiding in 1885 kreeg Severinus Canoy de windmolen toegewezen. Hij was priester en leraar aan het Bisschoppelijk College in Weert.

In 1905 liet de priester-leraar bij de molen een magazijn met een machine- en een generatorkamer bouwen, waarin een maalstoel en een 22 PK Crossley-zuiggasmotor werden geplaatst. Waarschijnlijk werd de voet van de standaardmolen in hetzelfde jaar van een paraplu voorzien, waardoor de standaardmolen van het half gesloten type werd. In 1918 verkocht Severinus Canoy de windmolen met de motormaalderij aan Jan of Johannes Hubertus Winkelmolen , echtgenoot van Johanna Josephina Franssen en molenaar op de standaardmolen van Buggenum.
Jan Winkelmolen stierf in 1923 en liet een vrouw met negen kinderen achter. De weduwe Winkelmolen zette het bedrijf nog tot 1930 voort. Eerst werd zij bijgestaan door de molenaarsknecht Martinus Weekers, een zoon van de molenaar van Ospel, vervolgens door Bernard Roelofsen en haar oudste zoon Sjeng, naar zijn vader Johannes Hubertus genoemd.

In die tijd was het een prachtige windmolen. De kap en de borst waren met eikehouten schaliën gedekt; de paraplu met geteerd asfaltpapier. Winkelmolen had er een "gesloten" standaardmolen van gemaakt door tussen de teerlingen houten wanden te laten aanbrengen . Opvallend was de zeer fraaie windwijzer, die achterop de kap stond. De binnenroede was een Potroede, de buitenroede was een Belgische roede van het fabricaat Verhaeghe en Decuyper uit Ruddervoorde. In de jaren twintig en begin dertig stond op de zijkanten van de kast een reclame van het margarinemerk "Blue Band". De molen stond in die tijd vlakbij de spoorlijn Eindhoven­Roermond-Maastricht en vormde een markant punt langs de lijn voor de treinreizigers.

De aanwezigheid van een grote reclame deed nogal afbreuk aan de landschappelijke waarde van de molen, zo oordeelde de schoonheidscommissie toen de molen een nieuwe verfbeurt kreeg. De molenaar van een standaardmolen was door de reclame echter verzekerd van een goede en regelmatige verf beurt van de omvangrijke bovenbouw en bovendien leverde de reclame hem jaarlijks nog iets extra's op. In de cri¬sisjaren waren deze inkomsten zeer welkom, want onder¬ houdssubsidies of andere vormen van overheidssteun waren toen vrijwel onbekend.

In maart 1930 bood de familie Winkelmolen de molen met de motormaalderij openbaar te koop aan. Het molenaars¬ bedrijf werd gekocht door Hubertus Gerardus Wilhelmus Grubben, een bakker in Baexem . Grubben bleef in het bakkersvak en verhuurde de molen aan de eerder genoemde Mathijs Antonius Martinus Weekers, totdat deze de molen van zijn vader in Ospel overnam. Sjeng Winkelmolen vestigde zich in Gemert (N.B.), waar hij de stenen berg-korenmolen bij de zuivelfabriek had gekocht. In de zomer van 1934 liet Grubben door de molenmakers Gebr. Van Beek uit Nieuwe Wetering Dekker-stroomlijn wieken op de molen aanbrengen. Tevens liet hij de zuiggas¬ motor vervangen door een elektromotor. De molen werd toen gehuurd door Peter Martinus Hubertus Weekers en vervolgens door Hoex. Na de Tweede Wereldoorlog vond Grubben geen huurder voor de molen meer en nam de exploitatie zelf ter hand. Voor en tijdens de bevrijding in 1944 leed de molen geen oorlogsschade.

In 1945 voerde Grubben met zijn knecht een reparatie aan een molenwiek uit. De molen begon te draaien en de wiek waarop zij stonden bleef ongeveer in de horizontale stand staan. Uit angst, dat de molen verder zou gaan draaien riep hij zijn knecht toe naar beneden te springen. Deze gaf daar geen gehoor aan. Grubben sprong wel van de wiek af. Hij kwam ongelukkig terecht en overleed later aan zijn opgelopen verwondingen. De knecht wist ongedeerd van de molen te komen. De weduwe Grubben verpachtte de molen later aan de landbouwer Brouwers, wiens boerderij naast de molen stond. Hij maalde echter uitsluitend elektrisch. In 1953 verkeerde de standaardmolen door de stilstand in een zodanige staat, dat een uitwendige restauratie nodig was. Met behulp van subsidies kon het werk nog in hetzelfde jaar door de molenmaker Jos Adriaens uit Weert worden uitgevoerd. De wieken werden gestroomlijnd volgens het systeem Van Bussel en voorzien van remkleppen; de borst werd met horizontaal gepotdekselde planken afgewerkt. Op de molen lag toen nog een koppel 17-er kunststenen. Op zaterdag 12 december 1953 werd de molen feestelijk in bedrijf gesteld. Daarna werd er nog slechts sporadisch met de wind gemalen. Door de opkomst van mengvoer was er voor de molen geen emplooi meer en in de loop der jaren verviel hij weer.

Op het einde van de jaren zestig benaderden de Provinciale Waterstaat welke in die tijd zeer actief op het gebied van molenbehoud was, de Vereniging "De Hollandsche molen" en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het gemeen¬tebestuur van Baexem om de molen aan te kopen en te laten restaureren. De gemeente was daartoe echter niet bereid. Er diende zich toen een andere geïnteresseerde aan. De gemeente Herkenbosch gaf blijk belangstelling voor de molen te hebben. In het dorp Melick was de standaardmolen het slachtoffer van oorlogshandelingen geworden en de gemeente Herkenbosch, waarvan Melick deel uitmaakt, wilde de molen naar de oude fraaie plek in de buurtschap Water¬schey laten verplaatsen . Daardoor dreigde de eeuwenoude molen voor Baexem verloren te gaan. Dankzij de niet aflatende ijver van burgemeester J.J.H. Hannen nam de gemeenteraad van Baexem in 1968 het voorstel aan om de molen van de weduwe Grubben te kopen en te laten restaureren.

Aangezien de omgeving van de molen in verband met de aanwezigheid van een varkensmesterij landschappelijk gezien te wensen over liet en het molenerf door de verkoop van grond en opstallen te klein was geworden, werd besloten de standaardmolen naar een geschikte plek bij de rijksweg Weert-Roermond te verplaatsen . Het werk werd opgedragen aan de firma Gebr. Adriaens, molenbouwers, in Weert. Technisch gezien kwam de verplaatsing de molen zeer ten goede. Verborgen gebreken en slechte delen van de constructie kwamen daarbij aan het licht. Uitwendig werd de molen geheel vernieuwd, compleet met het vroegere wacht¬ huisje op het bordes. De kap en de paraplu werden weer met dakleer gedekt en de borst of het stormeind met horizontaal gepotdekselde planken. De twee gebruikte molenroeden zaten eerst in de stenen bergmolen van Nuenen (N.B.), waar zij met houten delen waren verlengd, omdat het gevlucht van de Nuenense molen langer was.

Met een groots opgezet Limburgs molenfeest, dat drie dagen duurde, werd de herboren standaardmolen op 7 oktober 1972 door de plaatsvervangend gouverneur van de provincie Limburg drs. P.J.C. Lebens in bedrijf gesteld. Lambert Symkens, een zoon van de vroegere windmolenaar te Oler en Kelpen kreeg later het beheer.

In 1972 stond de molen prachtig in het open veld met aan een zijde een windbelemmering door de oude bomen langs de rijksweg Weert-Roermond. Het landelijke karakter en de goede windvang van de molen "Aurora", de godin van de dageraad, verdween echter in de loop der jaren.

De molen staat op een aarden verhoging in een plantsoen, waarin geen wegen zijn aangelegd, en is omgeven door bomen en andere houtaanplant. De natuurlijke omgeving van de windmolen is daardoor volkomen teniet gedaan. Thans staan de woningen nog op een redelijke afstand van de molen. In westelijke richting is langs de rijksweg voor nog te realiseren woningen een geluidswal opgeworpen, waardoor het silhouet van de molen aan die zijde eveneens veranderde.

Er is nu bij de gemeente Baexem een plan in ontwikkeling om veranderingen in de directe omgeving van de windmolen aan te brengen.

© P.W.E.A. van Bussel “De Molens van Limburg” (1991). Publicatierecht verkregen van de zoon van de schrijver.

Nawoord; De aanpassing van het molenterrein, zoals in de laatste zin door de schrijver is aangegeven, vond in 1993 plaats. Het gehele molenterrein werd op de schop genomen en mooi aan de molen aangepast. De wieken van de molen werden in 2006 gerestaureerd.

Öffnungszeiten:
Mittwoch von 12:00 bis 16:00 Uhr. Am zweiten und vierten Sonntag im Monat von 13:00 bis 17:00 Uhr.

Adresse: Rijksweg 26a, 6095 NC Baexem, Telefon: (+31) (0)475-452397