De St. Elisabethsmolen

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 
 in Haelen

De St. Elisabethsmolen lag in het Leudal, vroeger een bekoorlijk, tegenwoordig een bekend natuurgebied in Midden­Limburg. Het Leudal bestaat uit een diep ingesneden beekdal met langs de oevers loofhout en op de hogere delen naald­ hout. De Leubeek, vroeger ook de Heythuyserbeek genoemd, maakt deel uit van de Tungelroyse Beek. De beek is grotendeels gekanaliseerd en alleen in het Leudal tussen de voormalige St. Elisabethsmolen en de Leumolen heeft zij haar oorspronkelijke loop behouden. De watermolen stond langs de weg Haelen-Roggel.
Eeuwenlang was de molen in bezit van het klooster St. Elisabethsdal, waarvan de oorsprong zou teruggaan naar 1240en dat door schenkingen rijk aan goederen werd . Dirk II, Heer van Altena, was de stichter.
Willem van Horne, zoon van een neef van Dirk van Altena, gaf aan de prior van het klooster in 1278 toestemming om de watermolen, die in de parochie Roggel bij de "Wiere" op de Zelsterbeek lag, te verplaatsen naar een plek tegenover het klooster op de latere Tungeroysche Beek. Het was een verplaatsing over een korte afstand. Aan de oude plaats met de brug werd later de naam "Wiere" gegeven. De molen lag toen niet ver van de Zelsterhof, vroeger een fraaie door bomen omgeven witte hofstede. Vermoedelijk behoorden de molen en de Zelsterhof bij elkaar zoals bij de Leumolen, waar ook een hof lag.

De verplaatste molen, die tevens banmolen was, werd in erfpacht uitgegeven. Van 1778 tot kort voor de daarop volgende eeuwwisseling werden de St. Elisabethsmolen, de Leumolen en de Leuhof gepacht door de familie Clephas, in de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw een bekend molenaarsgeslacht in Midden-Limburg. In 1796werd het klooster St. Elisabethsdal met de goederen, waaronder de St. Elisabeths- en de Leumolen door de Fransen in beslag genomen. Van de bezittingen werd een inventarisatie en een schatting van de waarde opgemaakt. Daaruit blijkt, dat beide molens zich in slechte staat bevonden. Het klooster met de landerijen en gronden werd in 1801 te Maastricht openbaar verkocht. Ze werden daarbij toegewezen aan de Maastrichtse notaris Jean Theodore van Gulpen met als opdrachtgever Guillaume Claes, prefect van het Departement van de Nedermaas en gewezen vrederechter in Hasselt. Claes verkocht St. Elisabethsdal vervolgens aan Andre of Andreas van Mulbracht, vrederechter in Nederkruchten in Duitsland en expert voor de nationale domeinen in de kantons Venlo, Roermond en Nederkruchten. Van Mulbracht kwam bovendien in het bezit van de St. Elisabethsmolen. In de correspondentie, die in 1840 door de advocaten A v. Mulbracht en de hierna genoemde C. Waegemans eigenaar van de Leumolen werd gevoerd, geven zij te kennen, dat de molens door het landdomein als in werking zijnde fabrieken aan hen waren overgedragen. Het is waarschijnlijker dat Laurent Henry Franken uit Weert op 8 december 1802 in het bezit van de St. Elisabethsmolen kwam, die toen werd gepacht door J. Jacobs.
Van Mulbracht had zich inmiddels in Roermond gevestigd, waar hij in 1854 overleed. Hij was een vermogend man en onder andere de compagnon van Burghoff en Magnee, de oprichters van de grote papiermolen op het Steel in Roermond.
In het begin van de 19e eeuw was het gebouw van de St. Elisabethsmolen van hout. Het was in die tijd een graan-, olie- en houtzaagmolen. De toestand van de molen was in en na de Franse Tijd blijkbaar zodanig verslechterd, dat vernieuwing noodzakelijk was. Van Mulbracht vroeg daarom in 1839 toestemming aan het provinciaal bestuur om de houten molen te vervangen door een stenen. De vernieuwing werd in 1840 uitgevoerd . De molen werd toen gepacht door J.M. Heckers uit Herten, die van moederszijde van de molenaarsfamilie Clephas afstamde. De stenen molen werd veel groter dan de toen bestaande stenen Leumolen. In het "Tarief der zuivere begrotingen van ieder soort en klasse van vaste eigendommen in de gemeente Nunhem" van 1843 werd de St. Elisabethsmolen geschat op 250 gulden; de Leumolen op 130 gulden. De nieuwe graan-, olie- en houtzaagmolen had een kart bestaan, want op 12 juni 1844 brandde hij af. Kort daarna werd hij herbouwd. Na het overlijden van André van Mulbracht vond in 1854 een deling van de grote nalatenschap onder zijn twee dochters plaats. De watermolen met het landgoed St. Elisabeth werd toegewezen aan Sophie of Jeanette Francisca Sophia, echtgenote van Louis of Lodewijk Frans Hubert Beerenbroek, die de goederen op zijn naam kreeg. Beerenbroe.k was toen rentenier en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Voor die tijd was hij burgemeester van Weert en bezat daar onder andere twee windmolens; in 1:857 werd hij burgemeester van Roermond. In 1875 werd het gebouw bij de molen uitgebreid . Het langgevelgebouw bestond uit een watermolen, een woonhuis en een boerderij. Na het overlijden van Louis Beerenbroek in 1884 werd zijn zoon mr. Peter Marie Oscar Hubert erfgenaam . Hij was rechter te Roermond en later president van de Arrondissementsrechtbank in die plaats.

Op het einde van de 19e eeuw werd de watermolen 4angedreven door een middenslagrad, dat aan de voet was voorzijen van een krop om het water beter op de schoepen te brengen. Het rad had een middellijn van 6,60 m. en een breedte van 0,70 m. De Leubeek splitste zich voor de molen. die op de linkeroever lag, in twee takken. In de doorgaande- of afslagtak bevond zich een lossluis; in de molentak bevonden zich naast de maalsluis vier lossluizen in het gebint. Achter de molen verenigden beide takken zich weer.
In de jaren 1908 en 1909 werd het complex met landbouw­ schuren verder uitgebreid en kreeg de molen het latere aanzien van een boerderijmolen. In 1908 werden het houten waterrad en de houten as vervangen door ijzeren constructies. Het nieuwe middenslagrad kreeg een middellijn van 6,68 m. en een breedte van 0,90 m. De houten schoepen hadden een hoogte van 0,56 m.
Genoemde P.M.0.H. Beerenbroek stierf ongehuwd in 1916 op het landgoed St. Elisabeth, waar hij sinds 1910 woonde. In het jaar van zijn overlijden lieten de erfgenamen het landgoed veilen. Koper werd Mathias Charles Joseph Geenen uit 's-Gravenhage. Hij was Limburger van geboorte en afkomstig uit Heythuysen. 15•16 Na zijn dood in 1938 erfde Marie Helene Seraphine Geenen, weduwe van Hyppolite Houtappel, uit Maastricht 8/9 deel van het bloot-eigendom; het overige deel kreeg Hyppolite Emile Clement Maria Houtappel uit Laren (N.H.).
De molen werd toen gepacht door Wijnand Jeuken. De volgende pachter was P. Scheres. Tijdens het malen raakte hij op 27 februari 1942 bekneld tussen het waterrad en de muur van de ark en overleed aan de gevolgen. Hij was 47 jaar en vader van tien kinderen. Na boedelscheiding in 1951 kwamen de boerderij en de ruïne van de watermolen in bezit van Maria Antonia Idalia Houtappel, gehuwd met de industrieel Joannes Franciscus Alphonsus Maria Meuwissen uit Echt. In 1961 werd de Nederlandse Staat eigenaar, die het landgoed aan Staats bosbeheer overdroeg.
Kort voor de bevrijding werd de molen het slachtoffer van oorlogshandelingen. In de avond van 15 november 1944 werd de brug over de beek in de Roggelseweg door de Duitsers met een te zware lading op het landhoofd aan de zijde van de molen opgeblazen. Het gevolg daarvan was, dat ook de watermolen werd vernield. Chr. van Bussel! uit Weert werd als deskundige verzocht een schaderapport op te stellen. Het geheel houten gangwerk en het maalwerk hadden zware schade opgelopen en zouden vernieuwd moeten worden; de stalen as van het waterrad was verbogen. Het ijzeren waterrad en het gebint met de vijf sluizen waren eveneens vernield. In die tijd bestond de maalinrichting uit een koppel blauwe Duitse stenen voor het malen van boekweit en twee koppels kunststenen, die random het spoorwiel lagen. De lopers werden aan de bovenzijde door het spoorwiel aangedreven door middel van rondsel\s op staakijzers. Ook de oliemolen was flink beschadigd. Deze was toen nog compleet en bestond uit een slagbank met twee slagheien en een loshei, een wentelas voorzien van drie kamwielen, een kollergang , een vuisterpan met roerwerk en een vuurplaat. De wentelas werd via een tussenas voorzien van een kroon­ wieloverbrenging door de koning aangedreven . De hout­ zagerij is clan niet meer aanwezig.

De molen werd in eerste aanleg niet hersteld. Het stuwrecht werd door het Waterschap "Midden Limburg" in 1958 afgekocht.

 
 © P.W.E.A. van Bussel “De Molens van Limburg”. Publicatierecht verkregen van de zoon van de schrijver.

Openingstijden: Ruïne is vrij toegankelijk

Adres: Roggelseweg 56 (zijgevel restaurant Elisabethshof), 6081 NP Horn