Leumolen

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 
in Nunhem

De Leumolen en de voormalige Leuhof liggen eenzaam en diep in het bos. Vroeger waren zij vanaf de Roggelseweg over twee zandwegen bereikbaar. In de jaren zestig begon zich in het dal de dagrecreatie in sterke mate te ontwikkelen. Dit leidde tot verharding van de wegen. verbetering van de paden en het treffen van een aantal voorzieningen om de overlast te beperken en het verblijf in het bos in goede banen te leiden.
Het Staatsbosbeheer en de Stichting "Het Limburgs Landschap" wisten destijds te bewerkstelligen. dat de beek ter plaatse niet werd gekanaliseerd, zoals het grootste gedeelte vanaf de oorsprong, en dat het stuw- of waterrecht voor de molen behouden bleef.

De Leumolen en de Leuhof waren oorspronkelijk een leen van de graven van Horne. Van 1701 tot in de Franse Tijd waren zij in bezit van het klooster St. Elisabethsdal.17 In 1796 werden de molen en de hof door de Fransen in beslaggenomen en als domeingoed verkocht. Omstreeks de wisseling van de 18e en de 19e eeuw kwamen de molen en de hof in bezit van de familie Waegemans in Nunhem. De mogelijk eerste eigenaar W. Waegemans werd opgevolgd door de rentenier Emmanuel Waegemans, gehuwd met Rosa Jacobs. Waegemans vroeg in 1828 toestemming aan het provinciaal bestuur om de graan- en oliemolen uit te breiden met een pelmolen voor het maken van gort uit gerst. In een vergunning voor het vernieuwen van de sluis in 1850 wordt de Leumolen als olie-, graan- en pelmolen aangeduid. Later werd de molen, waarschijnlijk gemakshalve, slechts graanmolen genoemd.

De familie Waegemans had haar domicilie oorspronkelijk op het kasteel of "Huis Nunhem" . Ook de windmolen, die tussen de dorpen Buggenum en Nunhem stond, was eigendom van de familie. Bij successie in 1851kwam zowel de water- als de windmolen in bezit van de drie kinderen Waegemans, namelijk Constant of Constant Emmanuel, kantonrechter in Buggenum, in wiens tak de molen vererfde; Carolina, echtgenote van Henri Celestin Theron in Douai (Fr.) en Theresia, die getrouwd was met Hubert Beltjens uit Luik. Zij erfden ieder 1/3 deel van de nalatenschap. Rosa Jacobs, de weduwe van Emmanuel Waegemans, rentenierster in Nunhem, behield tot haar dood het vruchtgebruik. De watermolen vererfde in 1907 na het overlijden van douairière L. Waegemans, geboren Van der Renne, aan Maria Constance Petronella Hubertine Ghislaine Coenen uit Weert. Zij vestigde zich later te Buggenum en trouwde met mr. R.J.K.M. de Nerée de Babberich, griffier bij het kantongerecht in Roermond.
Bij een openbare verkoop in 1935 werd de molen aan Theodoor Pernot, aannemer in Obbicht en Papenhoven toegewezen. De molen en de hofstede, die eeuwenlang bij elkaar hebben behoord, werden toen gescheiden. Het volgende jaar werden zijn zoon Nicolaas Johannes Wilhelmus, arts in Geleen, en zijn schoonzoon Hubert Joseph Marie Croughs, arts in Geleen-Lindenheuvel, gezamenlijk eigenaar van de watermolen. Bij een boedelscheiding in 1952 werd de laatst genoemde alleen eigenaar. In 1956 verkocht Croughs de molen aan de Staat der Nederlanden, waarna de molen onder beheer van het Staatsbosbeheer werd geplaatst.

De watermolen is steeds verpacht geweest. In 1790 overleed de pachter Hendrik Clephas, waarna de Leumolen met de hof door zijn weduwe Maria Joseph Clephas-Janssen werd gepacht. Tenslotte werd haar zoon Michel pachter. In 19e eeuw volgden de pachters elkaar snel op. De watermolen, die nog steeds uit een koren- en oliemolen bestaat, en de enige (in Nederweert staat inmiddels een wind aangedreven oliemolen) vrijwel complete oliemolen in Limburg is, wordt door een houten waterrad aangedreven. Dat was ook in het verleden het geval. Omstreeks de eeuwwisseling had het houten waterrad een middellijn van 6.30 m. en een breedte van 0.63 m. Ook het molenwerk en de waterwerken, bestaande uit een maalsluis en vier lossluizen waren van toen van hout.
De Leubeek bestaat bij de molen uit twee takken; de molen ligt op de rechteroever van de molen tak. Het gebouw is opgetrokken uit baksteen en is voorzien van een pannen-schilddak. Volgens het muuranker-jaartal zou het gebouw uit 1773 dateren. Het dak wordt gesierd door een klokkentorentje. Met de klok werd vroeger, volgens de volksmond, de noodklok geluid . Boven de toegangsdeur bevindt zich een nis, waarin een beeldje van de H. Ursula heeft gestaan, dat uit de 16e eeuw zou dateren. Jarenlang bleef de nis leeg. In 1961 werd er een modern houten beeldje geplaatst.
In het begin van deze eeuw was het houten waterrad aan vernieuwing toe. De toepassing van waterturbines begon kort na de eeuwwisseling snel terrein te winnen. Ook de eigenares van de moIen, de weduwe L.Waegemans-Van der Renne, liet het waterrad door een turbine vervangen, waar­ voor zij in 1911 toestemming van het provinciaal bestuur kreeg. De turbine van het type Girard en een nieuwe maalstoel bestaande uit gietijzeren kolommen met twee koppels stenen werden geleverd door de N.V. Machinefabriek en IJzergieterij P. Konings uit Swalmen. Naast de gevel werd een turbinekamer gebouwd, die met een pannen lessenaar dak op de daklijn van het molengebouw aansloot. Op de verticale turbine-as bevonden zich twee riemschijven, die met riemen de spillen van de twee koppels molenstenen aandreven. Met behulp van een klauwkoppeling op de steenspil kon het koppel stenen buiten bedrijf gesteld. Onder het bovenlager van de turbine-as bevond zich een conische tandwieloverbrenging op een horizontale as. Deze as dreef door middel van een riem een horizontale as op de tweede zolder aan, waarmee onder andere het luiwerk voor het hijsen van zakken naar de steenzolder werd bediend. In de jaren twintig en dertig was het maalbedrijf sterk teruggelopen. Gedurende de Tweede Wereldoorlog leefde het gemaal weer op, maar kort daarna werd de molen stilgezet. Een bedrijfsaanpassing op nieuwere maaltechnieken, zoals het installeren van een hamermolen voor het malen van mengvoeders, heeft niet plaatsgevonden.

In de jaren 1960 en 1961 liet Staatsbosbeheer de molen door de firma Gebr. Adriaens uit Weert met een waterrad uitrusten, waardoor ook een ander gangwerk moest warden geplaatst. Ook het olieslagwerk werd hersteld. De turbine met de turbinekamer en de maalstoel onder de steenzolder werden verwijderd.
Het nieuwe houten waterrad is gemonteerd op een stalen as, die een zwaar ijzeren gangwerk aandrijft. Dit gangwerk bevindt zich eveneens in een stoel, gevormd door gietijzeren kolommen, die onder de steenzolder is geplaatst.
Het fraaie gangwerk bestaat uit een conisch as wiel, dat met een conisch tandwiel de stalen koningsspil met het spoorwiel aandrijft . Het spoorwiel en de rondsels vormen de aandrijving van de twee steenspillen. Elk rondsel kan, zoals gebruikelijk, over de steenspil uit de ingrijping van het spoorwiel worden geschoven om het koppel stenen buiten bedrijf te stellen. De maalstoel en het gangwerk zijn afkomstig van de watermolen van Damoiseaux in Sittard, die vanwege de stadsver nieuwing werd afgebroken . De aandrijving van de oliemolen vindt vanaf de koningsspil met een tussenas en een conische tandwieloverbrenging plaats. Een houten schijfloop, gemonteerd op de andere• zijde van de tussenas drijft een houten kamwiel op de oude as van de kollergang aan. Dit laatste kamwiel grijpt ook in op een kroonwiel van de wentelas, waarmee de heien van de slagbank worden gelicht.
Het waterrad heeft een middellijn van 5,60 m. en een breedte van 1,00 m. Boven het waterrad werd een luifel aangebracht, waarvan de functie niet bekend is. In 1961 kwamen de verbouwing en de restauratie gereed op 10 juni van dat jaar werd de molen door dr. F. Houben, gouverneur van de provincie Limburg, feestelijk geopend. , : Aanvankelijk werd ervoor demonstratiedoeleinden voergraan gemalen. Tegenwoordig doet de molen dienst als een bezoekerscentrum (er wordt info over het Leudal, met name over de cultuurhistorie, gegeven) van het .Leudal. Voor belangstellenden is de. molen in het seizoen dagelijks open. Voor de juiste openingstijden wordt verwezen naar www.leumolen.nl.

In het midden van de jaren zestig werden plannen ontwikkeld om met behulp van waterkracht elektriciteit op te wekken. De toenmalige Stichting Elektriciteitsopwekking voor wind- en watermolens trad als adviseur op. Het ontwerp en de uitvoering van de aandrijving werden geleverd door de N.V. Machinefabriek Van Aarsen in Panheel. De generator van het fabricaat Dietz, voorzien van een aangebouwde tandwielkast, had een vermogen van 5 kW.
De aandrijving bestond uit een verticale tussenas aan de bovenzijde voorzien van een rondsel, dat door het spoorwiel werd aangedreven. Onder het rondsel bevond zich een koppeling . Aan de voet van de tussenas was een V. snaaroverbrenging naar de tandwielkast aangebracht. De totale overbrenging moest het gewenste generatortoerental van 1550 omwentelingen per minuut kunnen leveren.
De resultaten bleven beneden de verwachtingen. Dit was voornamelijk te wijten aan de eenvoudige klassieke uitvoering van het houten waterrad. De experimenten werden dan ook vroegtijdig gestaakt. Nu is de generator in de watermolen van Eibergen opgesteld.

© P.W.E.A. van Bussel “De Molens van Limburg”. Publicatierecht verkregen van de zoon van de schrijver.

Openingstijden: Zondag t/m donderdag van 13:00 tot 17:00 uur (juli en augustus). Eerste en derde zaterdag van de maand van 10:00 tot 14:00 uur olieslaan. Zon- en feestdagen van 13:00 tot 17:00 uur (van Pinksteren tot 1 juli).

Adres: Leumolen 3, 6083 BL Nunhem, Telefoon: (+31) (0)495-641417