Schouwsmolen

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 
in Ittervoort

Gedeeltelijk schuilgaande achter bomen en opgroeiend hout lag tussen de dorpen Neeritter en Ittervoort de Schouwsmolen. Het oudste deel van de molen dateert vermoedelijk uit 1630. In de vorige eeuw werd de molen verbouwd en uitgebreid. Steensoorten en steenverbanden kunnen op drie verbouwingen wijzen . Aan een daarvan herinnert de gevelsteen met de initialen lMG : ITMK ANNO 1830 De eerste drie letters hebben betrekking op Jan Mathijs Grispen, die in het midden van de 19e eeuw eigenaar was. De tweede serie waarschijnlijk op die van zijn echtgenote, waarvan de namen niet bekend zijn. Op een steen in het molenaarshuis staat een onduidelijke inscriptie, die als volgt gelezen kan warden: "Ittervoort de 7 Juny 1822 G K C 8". De opvolger van Jan Mathijs was Lambert Grispen. Bij boedelscheiding in 1885 werd de molen met huis, stal en erf, gelegen op Schreurskamp, aan Jean Mathieu Grispen, kapelaan in Stein, en Anna Grispen toegewezen.

In 1896 verkochten zij de molen met aanhorigheden aan Jean (Sjang) van de Laar, getrouwd met Anna Maria Philomena Lemmens en molenaar in Kessenich. Sjang van de Laar, die zich in hetzelfde jaar op de molen vestigde, had later een belangrijk aandeel in het maatschappelijk !even van Ittervoort. Hij was onder andere 30 jaar wethouder van Ittervoort, dat toen nog een zelfstandige gemeente was, kerkmeester, kassier van de boerenleenbank en gedurende de Eerste Wereldoorlog regelde hij de distributie. Voor velen was hij een vertrouwensman, die nauwgezet en plichtsgetrouw de functies vervulde. Niet zonder reden werd hij "de baas" genoemd. In 1902 kreeg Van de Laar toestemming om het waterrad te vernieuwen. Oorspronkelijk waren het waterrad en de rnolenas geheel van hout. Het nieuwe rad, met een middellijn van 5,70m. en een breedte van 0, 71 m., kreeg een ijzeren as voorzien van een naaf, waarop de houten spaken werden bevestigd. Tevens werd op voorstel van de bij de molens van Neeritter genoemde opzichter van de provinciale waterstaat Hanraets een zelfwerkende kantelklep op de lossluis aangebracht. In 1928 liet Van de Laar bij de molen een transformatorhuisje bouwen en een elektromotor als hulpkracht plaatsen. Jean van de Laar overleed in 1935. Reeds in 1930 was de molen overgenomen door zijn schoonzoon Jean of Johannes Lambertus Hubertus Marius Corbey, die tevens de laatste molenaar was.

In 1963 werd de molen aan de gemeente Hunsel verkocht; het water- of stuwrecht was reeds eerder aan het Waterschap "Midden-Limburg" overgedragen. Ter plaatse bevond zich in de weg, de Margarethastraat genaamd, een gevaarlijke versmalling, die veroorzaakt werd door het molenaarshuis en de daar tegenover staande woning. Een verbetering van de weg was voor de gemeente Hunsel de aanleiding het gehele perceel met opstallen, groot 3,5 HA, voor 35.000 gulden te kopen. Later werd ook het huis aan de overzijde gekocht om afgebroken te worden, zodat het molengoed behouden kon blijven. De molen met woonhuis, schuur en erf werden in 1966 gekocht door de toenmalige L.T.S.-leraar P.D.B. Janssen uit Roermond. Het molenwerk was nog intact, doch het pittoreske waterrad was verdwenen en de waterwerken waren geheel vervallen. Initiatieven van Janssen om het waterrad in de jaren zeventig in ere te herstellen, liepen op niets uit; het waterschap verleende daarvoor geen toestemming.

De gemeente Hunsel had de "molen" en het huis verkocht om met de opbrengst een nieuwe gemeentewerf te bouwen.
Zij koos daarvoor een merkwaardige plaats, namelijk een terrein naast de molen in het landschappelijk fraaie dal van de Itterbeek. Toen hiertegen bezwaar werd aangetekend, bleek, dat de molen en het huis niet op de Voorlopige Lijst van Nederlandse Monumenten voorkwamen. Welstandstoezicht ging echter akkoord en de bouwvergunning werd verleend . In het magazijn, tussen de molen en het woonhuis gelegen, richtte Janssen een professionele pottenbakkerij in. De molen als zodanig was inwendig nog compleet. De opbouw van het houten gangwerk vertoont gelijkenis met dat van andere Midden-Limburgse molens. De houten steenbedding met daaronder het gangwerk ligt tamelijk hoog en ook de maalvloer ligt hoger dan gewoonlijk. Ook hier is de wieg tegen de onderzijde van het spoorwiel op de korte koning aangebracht. In de wieg zijn ijzeren staven toegepast die eveneens onder een schuine hoek in de schijven staan. Het rechter koppel 17-er kunststenen werd door het spoorwiel aangedreven. Het linker koppel 17-er kunststenen is voorzien van een ijzeren onderdrijfwerk met een conische tandwieloverbrenging op de steenspil. De aandrijving vond met een elektromotor plaats. Met dit koppel stenen werd tot op het einde van de jaren vijftig gemalen.

© P.W.E.A. van Bussel “De Molens van Limburg”. Publicatierecht verkregen van de zoon van de schrijver.

Openingstijden: Alleen op afspraak

Adres: Margarethastraat 73, 6014 AD Ittervoort, Telefoon: (+31) (0)475-564947